Onderdak voor de goden
Categorieën
Ook het geloof maakte deel uit van het dagelijks leven. Archeoloog Lourens van der Feijst vertelt hoe een kleine vondst op Flora Campus Westland iets laat zien van de wereld van goden en rituelen in de Romeinse tijd.
Niet alleen mensen hadden in de Romeinse tijd een huis. Ook hun goden kregen onderdak.
Geloof in het dagelijks leven
De Romeinen waren polytheïstisch: ze geloofden niet in één god, maar in een hele wereld daarboven. Elke god had zijn eigen taak en betekenis. Jupiter was de oppergod, Mars waakte over oorlog en strijd, Venus stond voor liefde en vruchtbaarheid, en Neptunus heerste over de zee. Zelfs de keizer werd vereerd als een god. Dat geloof reisde mee met het Romeinse rijk. Veroverde volkeren hoefden hun eigen goden niet op te geven, zolang zij ook eer bewezen aan de goddelijke keizer. Zo bleef de Romeinse wereld religieus veelzijdig, maar wel duidelijk hiërarchisch.
Religie speelde een praktische rol in het dagelijks leven. Goden moesten gunstig gestemd worden als het tegenzat, of wanneer er iets ondernomen werd. En als iets goed afliep, werden ze bedankt. Zeelui die de gevaarlijke overtocht naar Engeland maakten, brachten bijvoorbeeld offers aan de Zeeuwse godin Nehallennia vóór vertrek en na een behouden thuiskomst. Zo was religie verweven met hoop, angst en dankbaarheid.
Als een god of gemeenschap groot en belangrijk genoeg was, kreeg die god een eigen huis: een tempel. Dat waren zichtbare bakens in het landschap. Op deze plek waar Flora Campus in ontwikkeling is heeft voor zover we weten geen tempel gestaan. Toch betekent dat niet dat religie hier afwezig was.
Een vondst uit huiselijke kring
Dat weten we door een kleine, maar veelzeggende vondst: een bronzen beeldje. Zo’n beeldje stond niet in een tempel, maar in huis, op een zogenoemd lararium, een huisaltaartje. Daar werden goden dagelijks bedankt, om raad gevraagd of aangeroepen voor voorspoed. Het was een vaste plek in het huis, dicht bij het dagelijks leven.
Het beeldje dat we hier hebben gevonden stelt niemand minder voor dan Jupiter Optimus Maximus, de oppergod van het Romeinse rijk. We herkennen hem aan zijn attributen: de bliksemschicht in de ene hand, een scepter in de andere, die inmiddels verdwenen is, en een adelaar aan zijn voeten. Het is geen bescheiden keuze. Het laat zien dat de bewoners van Naaldwijk niet aan de rand, maar midden in de Romeinse wereld stonden, ook in religieus opzicht.
Zo vertelt een klein bronzen beeldje een groot verhaal. Over geloof, over verbondenheid met een rijk ver voorbij deze plek, en over mensen die hier woonden, leefden en elke dag even stilstonden bij de goden in hun huis. Tweeduizend jaar later blijft dat altaar zwijgen, maar het beeldje zelf spreekt nog steeds.